Gisterochtend kijkt Uwe nog eens naar het hoogteprofiel. Ik denk: beter even niks zeggen… want hij trekt een gezicht van ik-weet-het-nog-zo-net-niet.
‘Of…’, mompelt hij, ‘we gaan iets zuid, en klimmen daar de bergen in.’
Ik ben de beroerdste niet, dus ik knik.
‘Alleen,’ zeg ik nog voorzichtig, ‘die route is langer, drukker, bovendien is die klim nog altijd 22 procent, maar” 6 procent.’
Als we boven zijn, is hij vast blij dat we tóch de steilere klim hebben gedaan. Denk ik.
Tijdens de klim staan die bordjes er weer: 8%. Ik grijns. Jij en ik weten inmiddels wel beter.
Mijn stralende lach verdwijnt. Het is zo steil dat ik álles moet geven om overeind te blijven en vooruit te komen. Mijn hoofd denkt ondertussen gewoon door.
Dit was niet handig.
Wat doe je jezelf aan.
Eigen schuld.
Eigenlijk snap ik zelf ook niet hoe ik bovenop ben gekomen. Het was niet leuk, dat klimmen, maar het hoeft niet leuk te zijn, om leuk te zijn. Na een lang uur was het weer klaar en konden we een overwinningsbiertje drinken.
En wij maar denken dat we er waren. Hadden we dát even mis. Er volgen nog een paar taaie kilometers. Maar dan strekken de kilometers door een briljant, flonkerend groen, glooiend regenwoud. Bewoond door olifanten, waarvoor we een paar keer gewaarschuwd worden. (En die we maar niet zien.)
Tegen de avond wordt het vinden van een slaapplek het belangrijkste doel. En zo komen we, dankzij kletsen met een Thai een paar dagen geleden, opnieuw bij een tempel terecht.
Vanochtend kijk ík naar het hoogteprofiel. Met dezelfde frons.
‘Of…’, zeg ik, nog niet helemaal overtuigd, ‘we gaan langs de kust.’
Uwe kijkt, aarzelt, en schudt dan zijn hoofd.
‘Neeee. Negentien procent. Onverhard. Kúnnen we. En lukt het niet, nou, dan gaan we gewoon weer terug.’
Als we aan de andere kant zijn, ben ik vast blij dat we gegaan zijn. Of niet.
Zodra de weg klimt, verandert hij in twee smalle betonnen stroken. Mijn ogen worden groot. Jij en ik voelen ‘m al aankomen.
Driftig probeer ik al balancerend de helling op te trappen. En mijn hoofd maar weer doordenken.
Dit was niet handig.
Wie doet dit vrijwillig.
Zelf voor gekozen.
Uiteindelijk was het, voor mij dan, vooral afstappen en slepen, maar na een uurtje was het weer klaar en kon ik een vreugdelijk sprongetje maken. Een kleintje, want we zijn er nog niet. Dat weet ik heus wel. Er is een tweede klim, hoger, langer, maar verhard, gelukkig.
Of wacht. Die verharde weg? Bleek grind te zijn. Losse keien. Steil. 33 graden. Maar natuurlijk. En zo zitten we, 39 kilometer later (we hebben het gehaald!), compleet afgemat bij een camping waar ze ons gratis laten staan, gratis eten geven, en gratis laten douchen.
En dan geven ze ook nog een biertje.