Het is een windstille avond en de hemel blijft ook na het ondergaan van de zon helder. Een perfect moment voor een foto, zeg ik vastberaden, en loop naar de windmolen om er een foto van te maken met de sterrenhemel.
De stier achter het hek zie ik niet — alleen die twee twinkelende ogen — maar ik hoor hem wél. Loeiend. Tekeergaand. Alsof ik een bedreiging ben. Of verbeeld ik me dat?
Hij roept de koeien aan de andere kant van de weg, achter hun hek, en ineens heb ik niet twee maar twintig twinkelende ogen op me gericht.
Is dat hek wel sterk genoeg, denk ik. (Nee)
Maar weten ze dat ook? (Ik denk het niet)
Ik geef het op, die ene foto die ik heb moet maar goed genoeg zijn. Bang loop ik terug naar Uwe. Bang voor een koe!
‘Ze weten toch dat er een hek zit?’, zegt Uwe. Ha! Ook al niet honderd procent op zijn gemak. Ik ga zitten. Blijf de rest van de avond bang over mijn schouder kijken.