Twintig graden moet het daar zijn, dus maakten we de Cameron Highlands ons doel. Al twee weken verheugden we ons erop, vanuit onze dampende tent. Daar fietsen we dan, al glunderend, maar ook bang omhoogkijkend, naar een angstaanjagende hoeveelheid hoogtemeters: 1700, om precies te zijn.
Bij de zestigste kilometer begint de victorie: een paar verrukkelijke vlakke kilometers boven op die koele berg. Vergeten is de hitte, en in een dikke jas zitten wij ‘s avonds naast de tent, in iemands tuin.
Die iemand is een 22-jarige jongen die in het hotel werkt. Het hotel is vol, maar zijn grasveld niet. Hij komt er gezellig bij zitten. Leuk natuurlijk, al hadden we stiekem gehoopt even alleen te zijn. Met een biertje — iets wat zelfs hier boven op de berg nog scheve blikken oplevert. Dan zegt hij ineens: over twee weken begint de ramadan.
O. Ramadan. Níet aan gedacht.
Toen we dat hoorden lag ons plan voor Indonesië direct in de prullenbak. Om nou in het regenseizoen, tijdens ramadan door het grootste moslimland ter wereld te gaan, in de smoorhete drukte — dat klonk toch allemaal niet zo aantrekkelijk. Bovendien kreeg ik een beter idee.
‘Zeg, zijn we dan op tijd voor Nieuw-Zeeland?’ Twee mondhoeken gaan omhoog. De volgende dag gaan uitzoeken, en ja, het kan precies voordat de boel daar onder sneeuw ligt. Het is dan herfst, en laten we daar nu net dól op zijn.
Zo zit je op een natte dag in een droge hotelkamer — en een maand later ineens in Nieuw-Zeeland.