De tienduizendste kilometer brengt ons hier, naar de Maeklong Railway Market, een markt die op een spoor ligt. Niet ernaast. Óp.
Zodra het fluitje klinkt komt alles om me heen in beweging: luifels verdwijnen, koopwaar schuift opzij, sommigen klikken nog haastig een selfie met het lege spoor, de rest wurmt zich tussen de kraampjes. Telefoons gaan omhoog.
Laat me echt niet wegduwen. No. Way. Ik blijf staan, stevig op mijn plek, tussen alles en iedereen, en klik net zo fanatiek mee. Daarna vult het spoor zich weer. Met mensen, dat ook.
De eerste vraag is natuurlijk: waarom staan ze zó dicht op de rails? Tijdens lunch op internet gaan zoeken, maar ik kwam niet veel verder dan: omdat de markt al bestond voordat de trein werd aangelegd en toen ‘ie kwam bleven ze.
Later, tegen de avond, gaan we een weggetje in. Serieus, denken we tegelijk, is híer iets?
Van de camping geen spoor. Bordje? Nee. Receptie? Niet. Tent? Nope. Alleen een hek met een slot erop. Dit moet ’m zijn. Daarachter ergens.
De buurman staat om de hoek. ‘Kunnen we hier overnachten?’, we wijzen naar een veldje naast zijn huis. Dat mag, maar hij heeft een beter plekje. Ik vraag Chai of ik een foto mag maken. Nee, schudt hij, zijn haar zit niet goed.
Ik zie Uwes ogen ook glimmen van blijdschap. Onvoorstelbaar dat we hier mogen staan, in een halfopen paviljoen, tussen de palmen, bij een soort vijver, een vijver waar je Monet bij zou denken, maar zonder waterlelies, wel vuurvliegjes, sterren, een schorpioen. En, het allerbeste, we kunnen douchen. Ik ben waan-zin-nig blij.
Als het bos ontwaakt, ontwaken wij ook. Dit is geen stil bosje, dit zijn bomen die léven. Chai komt giechelend koffie en water brengen. Giechelend, omdat we elkaar nauwelijks begrijpen, dus lachen we maar veel. Een foto mag nu wél.