Na dertien uur ritsen we de tent open en steken we de kop naar buiten. Yes! Blauwe hemel! Zon! Eenmaal eruit gerold zien we dat álles bevroren is: de tent, tassen, zonnebril, het gras en ook het water in de bidons.
De ochtend ontdooit langzaam. Zelf was ik later, veel later pas, een beetje ontdooid, net genoeg om op blote voeten verder te fietsen.
Terwijl ik, voor de rivieroversteek, mijn schoenen omwissel voor slippers, komen twee mannen aangefietst. Beide niet echt jong meer, maar opvallend fit, de een met baard, de ander zonder, strak in fietskleding. Zij zijn vierënhalf uur geleden in Bannockburn begonnen, waar wij gisteróchtend waren begonnen.
“Ik bleef gisteren op de camping,” zegt de baard. “Ik zag de tegenwind.”
Hij wel.
Even later zien we ze iets verderop in de berm zitten, hun fietsen in het gras, kauwend op een mueslireepje. Aha, dacht ik, zó doen ze dat dus. Nooit zien we andere fietsers onderweg koken. Een paar reepjes, meer past er natuurlijk niet in die tasjes.
De volgende ochtend zien we op de camping de baard weer.
“Onder de indruk van je,” zeg ik, “dat was veel voor één dag.”
“Ja, dat was het,” lacht hij bescheiden. “Maar weet je, er is altijd wel iemand die nóg verder gaat. Ik kwam jongens tegen die hetzelfde deden, en daarna nog 125 kilometer doorfietsten naar Invercargill.” Ik krabde even achter m’n oren. Watduhell.
“Wat ga je vandaag doen?” vraag ik.
“Heel veel eten.”