Bij het ontbijt dronken we blikjes Nescafé koffie, en toen keek ik naar de ingrediënten. Van alleen het lezen al kreeg ik kanker.
De eerste was, niet geheel verrassend, suiker. Geen percentage (ook niet verrassend). Tweede was melk. Mager, gelúkkig. Daarna pas koffie, instant, met een verbluffende 1,2 procent. En dít drink ik? Kan ik niet net zo goed cola drinken? Zit daar misschien zelfs méér cafeïne in? Mij zul je dit niet weer zien drinken.
…nou ja, okee. Én het blikje dat een man op de scooter me later vandaag al rijdend geeft.
Terwijl ik nog een slok neem, hoor ik ‘m in de verte al aankomen. Tussen de palmen scharrelt een Indonesische jongen. Hij heeft een enorm kapmes bij zich, draagt lange mouwen en gele kaplaarzen. Hij hakt hoog in de bomen om de palmvruchten naar beneden te halen, z’n collega raapt ze op.
Ik kijk opzij naar Uwe, slurpend aan de Nescafé. Onze fietsen kosten waarschijnlijk meer dan zijn jaarsalaris. Met onze voeten in de slippers, zitten wij comfortabel op onze campingstoeltjes.
“Je-mig, da’s zwaar werk”, zeg ik. Hij knikt.
“Wat hebben we het goed hè?”
“Zullen we ze appels geven?”, vraagt Uwe me lief. En loopt naar de mannen toe.
Met volle buik stappen we weer op. De wind in onze haren. En daar gaan we, op naar een volgende dag vakantie op de fiets. Achter ons wordt er intussen nog hard doorgehakt op die bomen. Er staan er nog genoeg.