Een kleine pickup stopt naast onze tent. We zetten ons schrap voor de boze blik die ongetwijfeld gaat komen.
Een vragend hoofd stapt uit de auto. Ik loop meteen naar hem toe en laat hem het scherm zien van mijn telefoon. We pakken onze spullen. We gaan weg. Sorry voor de overlast.
We zijn nog bezig met de tent oprollen, of hij komt alweer terug. Hij geeft ons vier mandarijnen én een vriendelijke lach.
Dat hadden we werkelijk niet verwacht, want hoewel er geen privé bordje stond, we mogen hier eigenlijk niet zijn. We staan tussen zíj́n citroenen en mandarijnen.
Zo lief, dat ik even met m’n mond vol tanden stond. Ik probeer me het Nederlandse equivalent voor te stellen en kom niet verder dan iemand die zegt: “Dit is privéterrein hoor. Zie je dat niet!?” gevolgd door een diepe zucht en een geïrriteerde blik.
Hier niet. Hier krijg je mandarijnen.