Ik klim de Nevis Road op. Het is er stil. Ik hoor niets behalve een stoffig piepje bij elke trap.
Naar beneden kijkend, zie ik de Dunstan vallei, en nog verder naar beneden kijkend, mijn schoenen rondjes maken boven niet eens zo heel hobbelig grind. Balans verliezen, slalommen, rondkijken, hardop zingen: het kan allemaal.
Halverwege stoppen we. Terwijl we wat om ons heen kijken, zien we in knaloranje iemand omhoog zwoegen. Ik heb zelf net dat rotstuk gedaan, dus ik voel met hem mee. Nog meer voel ik met hem mee als ik zie dat hij niet pauzeert, niet slalomt, niet om zich heen kijkt. Misschien verklaart dat ook zijn vieze gezicht.
Het lukt hem nauwelijks om boven te komen. (Mij ook, trouwens.) Maar het lukt. (Mij ook!) Nu de Nevis-vallei nog in, door en uit.
Wij zweten, de rivier kronkelt, de wind raast. Even denk ik in de verte de oranje man kermend in de berm te zien liggen, maar het is hem niet — het is een auto, van een jager.
Het is half zes als we een veldje zien baden in een gouden avondzon. Natúúrlijk blijven we. Uiteráárd waren dit de laatste zonnestralen. Die zon kruipt morgen om negen uur weer boven de berg uit. Tot die tijd liggen wij in de tent. Het is pas zeven uur.
En nu maar hopen dat het niet bewolkt is.
Meer van Nevis Road


