Het is 4:00 uur. Zullen we al opstaan? Nog maar even proberen te slapen. We hoeven ook niet te overdrijven, zo vroeg in de ochtend al opstaan.
Om half vijf liggen we nog wakker. Om vijf geven we eraan toe. En dat beviel ons opperbest.
De nachten zijn hier zo lang dat je ‘s ochtends nog lekker een tijd bij het vuur kunt zitten. In de verte huilen dingo’s.
Ik neem langzaam nog een slok koffie. Er hangt een typische lucht, niet echt aangenaam. Het ruikt naar stilstaand water, naar vulkaan, een soort zwavellucht, rotte eieren. Oeroud water uit het Great Artesian Basin dat hier weer aan de oppervlakte komt, lees ik later. Water dat na miljoenen jaren bovenkomt. Water dat nog nooit iemand eerder geroken heeft.
Om de zwaveldampen te ontvluchten fietsen we door naar Oodnadatta, naar het overdreven roze terras van het Pink Roadhouse. Snel werpen we ons weer op onze weerapps, maar het was niet zonder slecht nieuws.
Regen op maandag. (Overmorgen)
Wind op woensdag. (Niet een briesje. Een storm. Recht in ons gezicht.)
Zou het ons lukken Marla te halen vóór de regen?
Om maar met het meest voor de hand liggende te beginnen: tweehonderd kilometer in twee dagen (anderhalf, want de ochtend is al voorbij), op zand, zonder ondersteunend meewindje — nee.
En dan de regen zelf. Wat als het meer is? Of eerder komt? Onderweg vast komen te zitten terwijl de weg overspoeld raakt, onbegaanbaar wordt, en vervolgens sluit… dat is voor ons nou juist het spookbeeld.
Er zit niets anders op dan blijven. Vijf dagen. Wachten tot de weg dichtgaat, en als het eenmaal dicht is, wachten tot hij opengaat.





