Het is 10:30 uur en we staan met een glas witte wijn in de hand, modder nog aan de schoenen, en omringd door vijf Australische mannen ergens in de zeventig, die elkaar al decennialang kennen.
Een uur eerder zakten we nog tot de enkels weg in een weerbarstige modderpoel. De weg was overstroomd, en niet zo’n beetje ook.
We waren met takken een geïmproviseerd pad aan het bouwen, in de hoop dat we zo naar de overkant konden, toen de vijf mannen aan kwamen rijden, opgetogen als schooljongens.
‘Eindelijk gebeurt er hier eens wat,’ riep een van hen, met een grijns waar zijn ogen bijna in verdwenen, terwijl hij foto’s van ons schoot. Maar ze stopten niet alleen om foto’s te maken. Ze wilden helpen.
Alleen: hoe? Fietsen op het dak? No way, veel te riskant voor lak, laat staan frame. In de auto? Paste natuurlijk niet. Achterlaten? Ondenkbaar.
In plaats daarvan pakten ze logge rijplaten van het dak. Uwe liep erover met de fietsen naar de overkant. Ik trok ze uit de drab, gaf ze terug, doorweekt en loodzwaar, en nodigde mijzelf uit bij de mannen in de auto.
Een minuut later stond ik, droog en opgetogen, aan de overkant. ‘It’s tea time,’ zei een stem naast me verlekkerd. Ik dacht aan thee. Een tikje naïef, zo bleek.
En zo sta ik hier dan, 10:30 uur, wijnglas in de hand, midden in de Australische outback. Ik heb saaiere ochtenden gehad.
Opeens wordt een van de mannen serieus en voorspelt dat er nog veel van dit soort plassen zullen volgen. ‘Ik wil niet vervelend zijn, maar…’ En inderdaad. Maar geen plas is zó diep als die eerste.
De rest van de dag stuntelen we bij plas na plas aan de rand. Zo’n plas is in toch het midden het modderigst? Tot Uwe bij de zoveelste plas zegt: ‘Ik ga eens kijken hoe het in het midden is,’ en er behoedzaam, stap voor stap, doorheen schuifelt. Dwars erdoorheen. Geen spoor van wegzakken.
De rand is zacht, het midden hard. Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. We hebben het de hele dag verkeerd gedaan.




