Na een koude nacht bovenop hoeven we alleen nog wat bergkammen over en dan naar beneden. Makkie, dacht ik.
Bleken we helemaal nog niet boven te zijn.
Ik trap me het schompes. Het is (en blijft) ruig, of smal, of steil. Soms alle drie tegelijk. Ik moet blijven staren naar de grond om overeind te blijven. Ik wil om me heen kijken, maar voorlopig kijk ik naar waar ik niet wil vallen.
Zo fietsen we een tijdje, starend naar de grond. En ik vind het nog leuk ook. Het leukste wat er is zowat.
Toch maar even stilstaan, dachten we, vanavond is het uitzicht weg, dan zullen we gezellig beneden zitten. Hoe ver beneden dat weten we nog niet, maar dat we zo ver mogelijk afdalen staat vast. Morgen zal het regenen.
Langzaam verstrijkt de middag. We fietsen door tot de zon bijna onder gaat en het bos schemert. Dus fietsen we harder. Als een bezetene: het moet toch lukken om de camping te bereiken voordat het donker is?
Maar waarom eigenlijk? Om daar vervolgens voor pampus in een barstoel te hangen? Om daar uitgeput een tent op te zetten? Tent opzetten kan ook hier.
Op dat moment spot Uwe een strandje, en maar goed ook. Het bos was nog te lang, de avond te kort, en wij te moe.
Meer van de Paparoa Track


