‘Even kijken of er een plekje is.’ Klappertandend blijf ik wachten—Uwe is al verdwenen. Ik wil graag afdalen, maar nú even niet. Mijn maag knort en ik voel mijn vingers nauwelijks nog. Ik wil bij het vuur kruipen tot ze tintelen.
Ik kijk nog één keer achterom, naar de eilanden waar we de afgelopen dagen overheen zijn gefietst, en volg Uwe het modderige pad in. Niet te geloven dat we vanochtend nog tussen de palmbomen in de zon koffie dronken. Als ik daaraan denk prijs ik mezelf gelukkig, dus dan ga ik nu beteuterd zitten doen om een klein beetje kou? Nee joh.
Mijn hoofd dwaalt af. Ik denk aan de warme lunch bij de Lawson. Aan een stijlvol dametje van bijna tachtig dat moeiteloos op ons afstapte, giechelend. Niet bang voor vreemden, voor vragen, om de verkoper hulp te vragen bij vertalen. Ik was gecharmeerd, en ik wist: zó wil ik ook zijn als ik tachtig ben.
Morgen de UFO Line. Wat een leuk vooruitzicht.
Hopen dat ’ie open is.
Meer van Kuromori-pas


