O. Hadden we dat maar eerder geweten.
Geïrriteerd staan we stil. Daar hebben we geen zin in. We willen best eens omfietsen hoor, maar nu niet. We zijn halverwege, hebben net 400 meter geklommen, en in onze tassen wacht de sushi. We hebben even geen mentale ruimte voor alweer een onaangekondigde wegversperring. Met camera’s, deze keer.
Fukkit. We wurmen ons erlangs. Het is een gokje. Want: zijn de bruggen heel? Is het pad niet weggespoeld? En arghhh, ja, beren… op zo’n verlaten pad dubbel spannend.
Maar als we eenmaal daar fietsen, een tijdje, steeds langer en hoger, zonder dat we een idee hadden of het kon, durven we te hopen dat het misschien toch gaat lukken.
Perplex kijk ik naar Uwe, en naar de weg voor me. Het lijkt wel alsof er een waterval overheen geraasd is. Totaal weggespoeld, door vast geen klein buitje. Op dat moment regent het ook nog eens. Pijpenstelen. Wat dan altijd helpt, is op onderzoek uitgaan. Uwe gaat kijken.
Het valt mee, we kunnen erlangs. En iets verderop ook langs de andere versperring. Pfft, opluchting.
Door de zeikregen komen we terecht bij een plekje waar eindelijk de sushi uit de tas kan: een parking. Naast de weg.
Zolang het niet opnieuw begint te regenen, denk ik: wat een geluk. Ik pak met de stokjes nog een stukje sushi van de bagagedrager en kan alleen nog maar denken aan een warme douche.


