Een oude man stopt zijn auto vlak voor me. Ik stop ook maar, hij wil misschien iets vragen of, altijd leuk, ons toejuichen.
Zwaaiend gebaart hij dat de weg verderop dicht is. Gesloten weg? Tss, dat riedeltje weer. Nog maar twintig meter klimmen. Twintig! Huppekee.
Bij het begin van de weg staan vijf borden. Vijf — maar géén hek. Terwijl Uwe ze ontcijfert, haast de man zich naar ons toe en blíjft gebaren, met z’n armen gekruist. De weg is dicht. De weg is dicht. En staat daar maar, wiebelt op het ene, dan het andere been, kruist zijn armen nog eens en dramt onverstaanbaar door.
Zal wel, dat hij ons wou helpen; hij was vooral heel irritant. We fietsen vrolijk verder, want ach, wie doet ons wat?
Af en toe word ik een beetje moe van mensen die zich zo bemoeien. Die alles denken te weten. Die het meestal fout hebben. Daarom was ik echt even opgelucht dat aan de andere kant géén groot hek stond. Daar is niks, amper een bord. Huh?
Geen wonder eigenlijk, bedenk ik nu ik dit opschrijf, dat Japanners buitenlanders raar vinden. We luisteren niet, we fietsen gewoon door.