Soms, als ik een bergpas op fiets, denk ik: hé, dit paadje gaat nog hoger, naar een uitzicht dat vast nog beter is. Dit is zo’n paadje.
We zijn hoog, heel hoog. We zijn op de Zagari-pas, één van de hoogste in het land, midden in de Grote Kaukasus. Een afgelegen pas ook nog eens. Er is niet alleen een spectaculair uitzicht, er zijn ook grijze wolken, van dat zware grijs waarvan je weet: het gaat regenen. Blijven hangen zit er dus niet in, hoe mooi het ook is.
We zoeven van de berg af. Een fijne berg om vanaf te zoeven, zeker met zo’n uitzicht, en zeker als dat 70 kilometer lang is. De golvende, slingerende weg onder de dreigende hemel maakt dat je met een dikke grijns “Yes!!!!” wilt schreeuwen. Bovendien merk ik hoe mijn fiets vrolijk met me mee wiegt en me zachtjes door elke bocht brengt. Ik wieg met mijn fiets mee de laatste bochten in naar het dorp, en dan voel ik ineens de eerste druppels.
Doorweekt, druipend, dorstig, stappen we een restaurant binnen. Geen eten, wél bier. Meer hoeven we eigenlijk ook niet. Ik neem een slok bier en denk aan de luxe van stenen muren. Ze geven warmte, ze bieden gemak. Ze zijn stil, ze zijn stevig. Maar ze ruiken nooit naar dennennaalden.
Nee, ik mis ze niet.