Zes ogen en acht procent omhoog

Een scooter langs de weg met tropisch landschap in Thailand op de achtergrond

Zes ogen kijken ons vanuit het eetkraampje nieuwsgierig aan. Een man op vlotte gympen komt op ons af en zegt: ‘Zitten? Eten? Dat kan hoor. Je krijgt een goede portie.’ Dat is fijn om te weten, vooral dat laatste.

De vrouw zet ons rijst met kip voor en glimlacht ons lief toe, van een gebit is niet veel meer te zien. Bij ons aan tafel zit een oude man, zijn benen opgetrokken. Van zijn gebit is niks meer over, en wat er nog is, is zwart. Een beeld dat je niet zomaar vergeet. 

Ik kijk om me heen en krijg het warm. En het is al zo vreselijk warm. Ik zie geen bestek; geen lepel, geen vork, geen eetstokjes. Als we ons eigen bestek tevoorschijn halen, begint de oude man te grinniken. Timide grijns ik terug, en ineens snap ik het: daarom dus, daarom zit hij zo. Mijn benen passen niet onder de tafel. Onhandig prik ik rijst op mijn vork en probeer te eten. Af en toe valt er iets af. De oude man schiet in de lach en schuift met zijn vingers nog wat rijst naar binnen. Het gaat hem beter af dan mij.

Intussen is de man op gympen bij ons aan tafel komen zitten. Hij komt hier uit de buurt en spreekt een piepklein beetje Engels. Hij vertelt dat we bij Boeddhistische tempels terechtkunnen, monniken geven pelgrims een plek om te slapen en te douchen, zomaar. Iets wat we eerder hoorden en dat je dan half gelooft. Is dus écht zo. 

Zo, genoeg gezeten. We gaan weer. 

We zitten op een hoogte van 150 meter, lachwekkend laag – amper hoger dan de Utrechtse Domtoren – maar hebben toch 660 meter of zoiets belachelijks geklommen. 

In de schaduw van de palmen slingerde de weg hiernaartoe, omhoog, met steile hellinkjes, die je laten zuchten. En nog eens. Aan het begin van elk van die hellingen stond een bord met daarop: 8%. Zulke borden, ik krijg er tranen in mijn ogen van. Van het lachen, omdat het zo grappig is. Blijkbaar heeft iemand gedacht: laten we daar maar meteen héél veel van bestellen. 

Nu mogen we omlaag. 

Toen de afdaling eenmaal klaar was, probeerden we het meteen uit: de tempel. Dat blijkt zo gepiept. We mogen ons tentje op het kloosterterrein opzetten. De monniken brengen flesjes water, bieden eten aan en – het allermooiste – we kunnen douchen.

Ja, het achterland bevalt ons, zoals altijd, beter.

En weer door

Ondertussen zijn wij alweer verder gefietst. Wil je echt met ons meereizen? Op Polarsteps vind je het complete reisverhaal, met alle mooie momenten, kleine tegenvallers en alles ertussenin.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

fout: Content is protected